maandag 19 maart 2007

Welkom op de Zødås


Je hoeft geen ruimtelijk econoom te zijn om te zien dat de economische activiteiten van de stad Amsterdam zich, al dan niet volgens plan, naar de rand van de stad verplaatsen. Om precies te zijn naar de zuidoost-kant rond de A4, A9 en A10. Wordt de Zuidas het tweede centrum van Amsterdam of het eerste centrum van deze nieuwe lineaire stad? Op grotere schaal spreken planologen al over de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere. Het stuk tussen Amsterdam en Almere is daarbij nog wishfull thinking, maar Schiphol-Amsterdam wordt binnenkort realiteit.

De Nieuwe Kaart van Nederland laat al een heuse bedrijvencorridor zien vanaf Duivendrecht tot aan Schiphol. Zelfs in het smalle strookje tussen de A4 en de Nieuwe Meer wordt een bedrijventerrein gepland. De Zuidcorridor is nu nog een behoorlijk afwisselende mix van kantoren, woonwijken en parkachtige structuren. Maar langzaam worden de overgebleven vakjes opgevuld; oude werkhavens worden geherstructureerd met broedplaatsen en containerwoningen, golfbanen worden aangelegd in reststukken weiland; en het laat zich raden wat er staat te gebeuren met al die volkstuincomplexen, als de vergrijzinggolf voorbij is.

Internationaal is corridorontwikkeling tussen stadscentra en luchthavens een bekend fenomeen. Steeds meer steden richten er hun uitbreidingsplannen volledig op in. Het meest recente en frappante voorbeeld is Dubai World City. Aan Dubai wordt een compleet nieuwe stad gebouwd rond het nieuwe Dubai World Central Airport, niet gehinderd door geluidcontouren. In Amsterdam is sprake van een meer Europese variant van corridorontwikkeling tussen stadscentrum en luchthaven; een uitbreiding, die meer pragmatisch en ‘spontaan’ oogt; een infrastructuurbundel begeleid door een lappendeken aan kantoren, golfbanen en grootschalige detailhandel. Geen planmatige ontwikkeling, maar slimme één-tweetjes tussen (lokale) planologen, politici en projectontwikkelaars. Met een modern woord ontwikkelingsplanologie gedoopt, maar al zo oud als de corridor naar Rome.

De ontwikkeling van Schiphol en de Zuidas vertoont opvallend veel parallellen met die van luchthaven Kastrup en Ørestad bij Kopenhagen. Iets te veel zelfs om toeval te zijn, en de vraag is wie er eerder was. In 1959 formuleerden de Deense prof. Peter Bredsdorf en zijn Zweedse collega Sune Lindström als eerste een visie op een ‘Sound City’; er moest een brug over de Sond komen van het Deense Kopenhagen naar het Zweedse Malmö en het tussengelegen gebied Amager zou zich als een bandstad ontwikkelen. Als kloppend verkeershart fungeert daarbij een nieuwe luchthaven: Kastrup. In 1962 pakte de nieuw gekozen burgemeester Urban Hansen deze ideeën op en werkte ze uit. Hij bedacht Ørestad; een tweede stadshart met woningen, een luxe kantoorcity en een nieuwe universiteitscampus, perfect gelegen tussen het oude centrum en de luchthaven. Interessant concept, maar helaas gooide de oliecrisis van 1973 roet in het eten. Pas nu, ongeveer gelijktijdig met de Zuidas wordt Ørestad gebouwd, ontworpen door gerenommeerde architecten als Daniel Liebeskind en Jean Nouvel.

De vraag roept zich dus op hoe bijzonder de ontwikkelingen op de Zuidas eigenlijk zijn naar internationale maatstaven. De namen La Defence en Canary Wharf lees je overal als de grote concurrenten; maar het is de vraag of de Zuidas wel meespeelt in de Champions League, of net als Ajax inmiddels meer voor de Uefa Cup moet gaan. Volgens een artikel in de Rooilijn van janunari 2006 spelen La defence en de Londense City inmiddels in een ‘league of their own’ als het om de Haute Finance van Europa gaat. Amsterdam kon een tijdje leuk in de voorhoede meedoen, maar de financiële wereld gaat zich op wereldschaal concentreren in een vijftal wereldsteden. Amsterdam zal het moeten gaan hebben van de kleinere (Nederlandse) financiële spelers, en daarvoor zouden er op de Zuidas meer WTC’s en minder Schoenen moeten worden gebouwd. En meer winkels, kappers, copyshops en andere kleinschalige voorzieningen. Een weerslag van deze ontwikkeling is al terug te zien in de nieuwe plannen voor het woongedeelte van de Zuidas. Het Deense buro Henning Larsen Architects heeft weinig over gelaten van de rijzige rechtlijnigheid van het oorspronkelijke masterplan. Schuin lijnen en danish design geven een haast Ikeaanse gezelligheid aan de nieuwe Zødås.

donderdag 15 maart 2007

Gezocht: meer spektakel

Een oud historisch centrum, de rosse buurt, de nieuwe gebouwen langs het IJ. In het stadscentrum van Amsterdam komen zo ongeveer alle vormen van stedelijke openbare ruimte van socioloog Jack burgers voor: de geëtaleerde ruimte, de geëxalteerde ruimte, de geëxposeerde ruimte, de gekleurde ruimte en de gemarginaliseerde ruimte. Ook de Zuidas moet een echt stadscentrum worden. Dat is pas geslaagd als al deze verschillende ruimtes aanwezig en herkenbaar zijn.

Maar de Zuidas laat zich nu nog vooral kenmerken door geërecteerde ruimte en geëtaleerde ruimte. Imposante gebouwen domineren er het beeld. In de plinten ervan heeft de bijpassende commercie (kantine’s voor de upperclass) een plek. De openbare ruimte die de gebouwen omringd is feilloos. Het geeft een éénzijdig beeld van de Zuidas, dat van het businessdistrict. Om de Zuidas in de toekomst een écht tweede stadscentrum van Amsterdam te laten zijn, is meer diversiteit van stedelijke ruimte nodig.

Waar is op de Zuidas bijvoorbeeld de geëxposeerde ruimte, het museale stedelijke landschap? Natuurlijk, die is er wel, maar dan vooral in directe de omgeving van de Zuidas. De Rivierenbuurt bijvoorbeeld, de wijk die H.P Berlage in 1917 ontwierp, is een wijk vol geschiedenis, vol van meerdere lagen. Ook het Beatrixpark heeft natuurlijk een geschiedenis. Het park stamt uit de jaren ’40, ontworpen als een volkspark. In de tweede wereldoorlog werd het park door de Duitsers tijdelijk omgedoopt tot het Diepenbrockpark. Als het aan de Vrienden van het Beatrixpark ligt, dan krijgt het park een monumentenstatus en blijft het zoals het nu is.

Maar dat is niet voldoende. In afwachting van de Zuidas is het Beatrixpark vervallen en verloederd. Ook al staan er 1450 bomen, het padenstelsel is onduidelijk en in slechte staat, en de gazons zijn er nat en modderig. De geschiedenis ligt er onder een dikke laag stof. Het Beatrixpark kan een belangrijke rol krijgen als geëxposeerde ruimte, maar dan moet er wel gestoft worden. En meer dan dat, want er zijn mogelijkheden het flink park te verbeteren. Door het Beatrixpark bijvoorbeeld beter aan te sluiten op de stad, of de Boerenwetering sterker te verbinden met het Amsterdamse waterssysteem.

De architectuur is op de Zuidas is imposant. Maar er is geen sprake van geëxalteerde ruimte, de landschappen van opwinding en extase. De Zuidas ken geen uitzinnige ruimtes. In de jaren ’70 was die rol enigszins weggelegd voor de RAI. Denk bijvoorbeeld aan de film Trafic van Jacques Tati. In deze komedie rijdt Monsieur Hulot met een zelfgebouwde caravanauto, een wonder van vernuft, van Parijs naar de RAI. Onderweg raakt hij in allerhande verkeersproblemen. In die tijd was de RAI zelf een wonderlijke ruimte met een enorme overspanning. Menigten vergaapten zich er in extase aan de modernste vindingen van de mens.

De RAI lijkt nu vooral een hoeveelheid treurige hallen, waar mensen graaien naar gratis reclamemonstertjes op de Huishoudbeurs. Iedere grandeur, ieder spankeltje spektakel is weg. Daarom wil de RAI vernieuwen. De geëxalteerde ruimte is daarin een belangrijk Leitmotiv, met het Millennium Park in Chigaco als zeer succesvol voorbeeld. De aard van vernieuwing kan best ver gaan, van een herschikking van de hallen op het huidige terrein tot een misschien wel een volledige verplaatsing van de RAI. Als het op de Zuidas maar spektakel oplevert. Er is nog zoveel mogelijk op de Zuidas.

donderdag 8 maart 2007

Geërecteerde ruimte

In 1951 voorspelde professor J.T.P. Bijhouwer (voormalig professor landschapsarchitectuur in Wageningen) het verval of zelfs het volledig verlaten van de metropolen van Nederland. Amsterdam zou op de rand van de afgrond komen, en net als Den Haag “ slechts voortbestaan dank zij hun traagheidsmoment” (De toekomst van onze steden, 1951). Als oorzaak van deze exodus uit de grote stad noemt Bijhouwer o.a. verkeersproblemen, de drukte en de onpersoonlijke sfeer.

Gelukkig is dit doemscenario Amsterdam bespaard gebleven, onder andere door de opkomst van een aantal vormen van stedelijke openbare ruimte. Socioloog Jack burgers zet deze in zijn essay “Stedelijke landschappen – over de openbare ruimte in de postindustriële stad” op overzichtelijke manier de stedelijke verschijningsvormen van de postindustriële stad naast elkaar: de geërecteerde ruimte, de geëtaleerde ruimte, de geëxalteerde ruimte, de geëxposeerde ruimte, de gekleurde ruimte en de gemarginaliseerde ruimte. Het zijn geen nieuwe ruimtes; daarvoor bestonden ze ook al. Maar door maatschappelijke ontwikkelingen zijn ze wel explosief gegroeid en heftiger geworden.

Het hart van de Zuidas wordt gevormd door een typische geërecteerde openbare ruimte: het is een landschap van macht. In de vormgeving hiervan staat impression management centraal: de architectuur moet indruk maken, de openbare ruimte feilloos zijn.

In alle toekomst-renderings van de Zuidas wordt ook de geëtaleerde ruimte goed vertegenwoordigd: met winkels, digitale displays, reclameborden en caféterrassen wordt er een landschap van verlokking en verleiding gevormd, dat is gericht op maximale consumptie. Dit landschap zal volgens de ontwerpers van de Zuidas de openbare ruimte tot leven moeten wekken, want als je er niks kan kopen, is er niks aan. Toch hebben de winkels het op dit moment moeilijk; sommige kunnen amper het hoofd boven water houden.

Wat op de Zuidas nagenoeg ontbreekt is geëxalteerde ruimte: landschappen van opwinding en extase. Denk hierbij aan discotheken, festivals, rosse buurten en koffieshops, homobosjes, voetbalstadions, theaters. De komst van vdEnde-theater zal straks een schrale troost zijn. Amsterdam Zuidoost scoort in dit opzicht bijvoorbeeld veel hoger: daar heb je de Arena, de Heineken Music Hall en Pathé.

Als het plan Zuidas slaagt, zal het straks in zijn geheel functioneren als een geëxposeerde ruimte; het zal een mustsee worden voor architectuurliefhebbers en toeristen. Zoals het er nu naar uitziet zal dit vooral aan de gebouwen te danken zijn; de inrichting van de openbare ruimte is nogal non-descript. Om Zuidoost er weer even bij te halen: op de ArenA boulevard hebben ze lichtarmaturen van Philippe Starck! Ook de omgeving van de Zuidas kan worden gezien als een groot openluchtmuseum: het Amsterdamse Bos is een monument, en de Amstelscheg (= het groene hart) wordt ook met hand en tand beschermd en in stand gehouden. En als de architectuurstudenten toch al op de Zuidas zijn, lopen ze vast nog wel even door om Plan Zuid van Berlage te bewonderen, of Wim Boer’s Gijsbrecht van Aemstelpark.

De gekleurde ruimte (zwarte wijken) en de gemarginaliseerde ruimte (plek voor mensen zonder toekomstperspectief, bv. zwervers) is in de Zuidas ver te zoeken, op één straatkrantverkoper na. De Zuidas bevindt zich wat dat betreft in een goede omgeving: Buitenverldert en Oud Zuid zijn allebei rijke buurten.

Opvallend is dat de binnenstad van Amsterdam bijna op elk van de 6 punten hoog scoort, en alle landschappen (inclusief het door Burgers niet genoemde woonlandschap en werklandschap) zijn op een compacte, fijnmazige manier met elkaar verweven. Dit bepaalt voor een groot deel de aantrekkelijkheid van Amsterdam.
Hier ligt voor de Zuidas een grote opgave, wil het uitgroeien tot het tweede stadscentrum van Amsterdam. Zoekt de Zuidas, dat zich nog vooral nog mainfesteert als een landscape of power, naar een zelfde fijnmazige verweving? Welke soorten openbare ruimte worden nagestreefd door de gemeente en getolereerd door het bankwezen? Hoe sluit dit aan op de omgeving? Om hier een antwoord op te vinden moet de schaal van de Zuidas worden overstegen, en moet worden gekeken naar de hele stedelijke ontwikkeling van Schiphol tot aan de ArenA, heel Amsterdam, concurrerende zakencentra over de hele wereld.